
De column van Antje Stik-Snijder uit Noordwolde is een verzameling gedichten.
Nu Antje wat meer tijd om handen heeft komen die gedichten vanzelf bij haar naar boven borrelen.
Het zijn er zoveel dat ze nu al 3 gedichtenbundels heeft uitgegeven: “Blauwe Regen”, “Ik tel de dagen” en "Het leven is goed". Klik op de titel wanneer u een van deze boekjes (€13,95) bestellen wilt.
Bloei…
Er zitten knopjes,
Aan het stekje,
In het potje,
Op de vensterbank.
De iele stengel staat rechtop,
Met hier en daar een blaadje.
Een krans van knopjes…
Ligt er bovenop.
Ben zeer benieuwd
Kan haast niet wachten
Moet steeds maar kijken
Heb geen rust.
Tot de bloempjes komen
Aan het stekje
In het potje
Op de vensterbank.
Antje
Kleur
Ik geef mijn dagen graag wat kleur,
met groen en blauw en zonnig geel.
Ik weet, dat is natuurlijk,
maar zulke dagen zijn er niet zo veel.
Soms lijkt een dag een beetje grijs,
dan kleur ik hem vaak roze,
Met hier en daar een zwarte stip,
want grijs is uit den boze.
De maandag begint heel vaak wat blauw,
gewoonlijk na een dag met zon.
En ’s avonds ben ik dan heel blij,
dat ik de triestheid overwon.
Een zwarte dag, geef ik een gouden randje,
en zet er dan wat witte stippen in.
Maak zo een bonte polkadot,
dan wordt hij toch nog naar mijn zin.
U denkt: “Nou, nou, dat is een optimist.”
Nou nee, soms zie ik nergens nog een streepje licht,
Dan hebt u zich toch wel vergist.
Want ik kruip dan in bed……. met de gordijnen dicht.
Antje
Onbereikbaar
Nog altijd tast mijn hand naar jou,
Alsof je bij me bent.
We waren altijd zo vertrouwd,
Zo aan elkaar gewend.
De nacht is vaak zo stil,
Zo donker om mij heen.
Het duister brengt me vrees,
Ben angstig en alleen.
Pas als de ochtend gloort,
Vind ik een beetje rust.
Het licht verdrijft het duister,
De spinsels in mijn hoofd worden gesust.
Ik weet wel wat je mij zou zeggen:
“Ik ben er nu niet meer.
Je moet nu verder zonder mij.”
Stil maar……. ik weet het wel.
Maar het doet nog steeds zo zeer!
Antje
Doorzichtig
Ik hou van glas,
omdat het zo doorzichtig is.
Het vangt het licht, en breekt het,
alle facetten verschijnen voor mijn oog,
weerspiegelen in alle kleuren,
de kleuren van de regenboog.
Ik kijk steeds vol bewondering…
naar dit zo fraaie kleurenspel;
het brengt mij in verwarring….
Is het ‘t licht, of toch het glas,
ik weet het niet, ’t is ook zo belangrijk niet.
Het feit is er, dat ik ervan geniet.
Ik plaats het in mijn venster,
met iedere dag het volle licht,
maar ook al zijn de dagen grauw,
het glas in groen en blauw,
geeft mij een fraaie schittering.
De kleuren waar ik veel van hou.
Zo is het ook met ogen,
het zijn de spiegels van de ziel.
De ogen van mijn man zo prachtig blauw,
waar ik mijzelf steeds in verloor.
Ze gaven mij de moed en de verzekering.
dan kon ik met mijn leven door.
De ogen van mijn kinderen,
verborgen zich soms voor mij…
Dan was er weer iets mis….
Maar keken ze me aan ,
dan las ik hun gedachten,
en wist ik wat er was…..
ze waren dan doorzichtig……
ja, zo doorzichtig als glas.
Antje
Blij...
In het vroege morgenlicht,
hoor ik de vogels zingen.
De merel fluit zijn keeltje schor,
uit liefde voor zijn wijfje.
En als hij zwijgt, dan luistert hij,
met trilling in zijn lijfje..
Het is een heerlijk lief geluid,
doet me de winter snel vergeten.
Geeft vreugde in het oud gemoed,
brengt mij de lente heel nabij,
laat me opnieuw verlangen,
maakt me weer jong en blij.
Buiten geurt het overal,
met prachtig tere tinten.
Met bloemen zonder tal,
die uit de aarde spruiten.
Het lauwe windje speelt.
de lucht is vol met fluiten.
Ik kan alleen maar zwijgen,
bij al dit jubelend lentespel.
Ik kijk en luister……..
en voel verwondering opwellen.
Mijn hart stroomt vol van dankbaarheid,
het gaat van vreugde zwellen.
Antje
Madelief
Er groeit in ’t groene veld,
Een bloempje, teer en klein,
Het witte kroontje stralend,
Met blaadjes , o zo, fijn.
In’t voorjaar in de prille lentezon
Is het vaak nog koud,
Toch richt het fier zijn kopje op,
Richt naar de zon zijn hart van goud.
Vaak wordt het platgetreden,
Het is zo nietig klein,
Zo zonder praal of veel vertoon.
Zo doodgewoon.
Ons oog ziet niet het nietig bloempje,
Dat welig tiert in ’t groene gras.
Maar wat zouden we het missen,
Als het er eens niet meer was.
Het kind, nog dichter bij de grond,
Vlecht voor zijn hals, een stralenkransje.
En huppelt vrolijk in het rond,
Het maakt een vreugdedansje.
Antje
Belofte
Op ons pleintje buiten,
Schijnt vandaag de volle zon.
Spiegelt zich vrolijk in de ruiten,
Of hij de winter overwon.
Maar op de heggen ligt nog rijp,
De lucht is koud en kil.
Geen takje dat zich roert,
De wind houdt zich angstvallig stil.
Toch lijkt het of de lente komt,
Die stralend blauwe lucht……
Jaagt met haar gouden zonneschijn,
De winter op de vlucht.
Een narcis, heel alleen,
Worstelt zich uit de grond.
Een merel scharrelt erom heen,
Dood blad vliegt in het rond.
Terwijl ik naar hem kijk,
Zie ik onder struik en heg,
al sneeuwklokjes en krokussen.
Zij banen zich een weg.
Heel even nog, als straks de kou verdwijnt,
dan zien we hoe in volle glorie,
als was het een tapijt…..
weer overal hun bloem verschijnt.
Antje
Het beertje
Mijn man kocht op de rommelmarkt,
een koddig, klein wit teddybeertje.
En omdat het ding zo zielig keek,
nam hij ook nog een schaapje mee.
Ze werden in de kamer,
op de bank gezet, en daaglijks toegesproken.
Het beertje was steeds lief,
het schaapje vaak ondeugend.
Wij schudden soms ons hoofd,
’t was wel wat kinderachtig, maar nou ja,
hij vond het immers leuk,
zo was nu eenmaal Opa.
Maar op een dag,
’t was ergens in oktober.
Toen kwam voor hem de slag,
die hij niet overleefde.
We hebben hem nog opgezocht,
Het beertje ging toen mee.
Ik heb het in zijn hand gelegd,
Gezien hoe hij het streelde.
We hebben hem toen weggebracht,
Niets mocht voor hem meer baten.
Het beertje naast zijn hoofd gelegd……
het leek misschien belachelijk,
maar……
Wij hebben het zo gelaten.
Antje
Zo kostbaar
Ik berg herinneringen op,
als in een doosje met juwelen.
En af en toe, til ik het deksel op,
ik koester ze, terwijl mijn handen strelen.
Ze zijn zo kostbaar, zo uniek,
omvatten heel mijn leven.
Heel mijn hart gaat er naar uit.
met veel geluk omgeven.
Ik neem ze teder in mijn handen,
want zo beschadig ik ze niet.
Ik wrijf ze met een zachte doek,
zoals mijn hart gebiedt.
Dan sluit ik weer het doosje,
tot aan een volgend keer.
Het verlangen van mijn hart,
vertelt me wel….wanneer.
Antje
Mijn vader had een brommer
Mijn vader had een brommer,
daar ging ‘het ding’ voor door.
Want bijna alle dagen,
lag hij er op zijn knieën voor.
Alles haalde hij eruit,
en bouwde het er dan weer in.
En soms, ja heel bijzonder,
dan liep hij weer ‘dat ding.’
Ik moest hem dan proberen,
want ik was immers jong en sterk.
Je trapte je haast dood,
‘t was onbegonnen werk.
Het gebeurde eens,
’t was op een Woensdag, ja dat klopt,
hield hij de vlotter in zijn hand,
het ding zat wat verstopt.
Hij nam hem mee naar binnen,
had er eerst wat benzine ingedaan.
En bij ons in de kamer,
stak hij het ding toen aan.
En wat er toen gebeurde…..
Het ding begon te dansen, ja, ja wel degelijk.
En zeilde toen als een raket,
De kamer rond, je houdt het niet voor mogelijk.
Mijn vader had dit niet verwacht,
want hij keek stomverbaasd.
De hond kroop weg onder een stoel,
jammerend en verdwaast.
’t Was gelukkig wel snel uitgebrand,
we waren opgelucht, en lagen dubbel.
De brommer deed het nog, wat een geluk….
Een avontuur met heel veel trouble.
Dat was dus mijn vader met zijn brommer,
Ik denk, dat hij ervan genoot.
Een heel bijzondere bezigheid,
Die hem vreugd in ’t leven bood.
Antje
Gedachten
Als mijn gedachten stuivers waren,
dan had ik vast veel geld.
Maar ja, wie wil ze horen….
’t staat nergens nog vermeld.
Als mijn gedachten stuivers waren,
en ieder wou ze horen,
dán kon ik zilver sparen
en blies hoog van de toren.
Wat dwaas, om zo te denken,
want rijkdom laat me koud.
Want door maar stil te zwijgen….
bezit ik hópen goud!
Antje
Avond
De maan staat groot en helder aan de avondhemel,
Het licht verspreidt zich sprankelend over het meer.
In een lichte rimpeling, door een koele avondbries,
Als in een zilveren schittering, spiegelend en teer.
De bomen op de oever, tekenen zich af.
Ze staan daar, onder groene kruinen in het donker
als zwarte silhouetten,
Onder het immense stergeflonker.
Een lichte nevel stijgt nu uit het water,
Verspreidt een bitt’re geur van gras en rottend blad.
De bomen lijken haast te zweven,
Drijven als boten boven het wazig nat.
De nacht daalt nu volledig neer,
Geen vogel laat zich horen.
Heel de natuur komt nu tot rust.
Ligt als in een droom verloren.
Geduldig wachtend op een nieuwe dag.
Antje
Pluk de dag
Hoe kostbaar is de tijd,
we noemen haar het heden.
De uren gaan te vlug voorbij,
je vindt ze niet terug,
als ze eenmaal zijn vergleden.
Hoe gaan we haar besteden?
Streven we naar geld of goed?
Is dat wat wij begeren?
Die rijkdom kan verloren gaan,
zo zal de tijd ons leren.
En zoveel tijd verstrijkt in ’t leven,
met ruzie en onenigheid,
Soms tussen goede vrinden.
Het kan nog worden goed gemaakt,
als we de tijd maar vinden.
Maar soms is het “te laat”.
Te laat om dingen te herstellen.
Dit nare woord blijft je maar kwellen.
Je vindt geen troost of baat,
is niet opzij te stellen.
Benut de tijd die je bezit,
we hebben toch geen andere.
Gisteren is verdwenen,
morgen is nog niet verschenen.
Kijk naar het nu, doe wat je kan.
Want is hij om,
Wat doe je dan!
Antje
Herkenning
Het is met niets te vergelijken,
Het blije lachje van een kind,
Zo rein met klare ogen
Dat jouw oog zoekt en vindt.
Het valt je onverdiend ten deel,
Diep in je hart daar daalt het neer.
Niets kan het evenaren,
Ontroert je meer en meer.
Geen rijkdom en geen roem,
zijn groter dan die lach,
Dat lachje, dat als in herkenning,
Jouw oog ontmoeten mag.
Antje
Tijd...
Wij leven in de stroom van de tijd,
als een nevel die verschijnt
en morgen weer verdwijnt.
Het heden wordt verleden.
Tijd is ontzagwekkend,
voorwaarts, altijd raast hij voort.
Nimmer staat hij stil
is al voorbij als je dit hoort.
Vandaag wordt morgen, overmorgen,
ons leven spoedt ten eind.
Wij plakken slechts wat etiketten,
willen dat het blijft.
Het eind: van een jaar,
een eeuw, aan oorlog en aan pijn.
Een stip in onze levenslijn,
herinneringen zijn het maar.
Toch is er iets wat wel beklijft,
iets wat alles overwint.
Steeds weer opnieuw begint.
liefde is het, die overblijft.
Zij overwint zelfs tijd,
geeft allen hoop, op eeuwigheid.
Antje
Afscheid
Er was die lege stoel
sinds jij bent weggegaan.
Ik kon er niet meer tegen,
ik heb hem weggedaan.
Wat heeft het eigenlijk voor zin,
ik weet het al tegoed.
Maar ‘k denk zo bij mijzelf,
dat ik ook leven moet.
Jij vult mijn leven,
zo het vroeger was,
met dagen vol geluk en vrolijkheid.
Als was het gisteren pas.
Houd ik mijzelf nu voor de mal?
Wel nee, het is juist goed.
‘k Blijf naar die lege plek niet staren,
langzaam worden mijn bitt’re tranen zoet.
Antje
Mijmering
Wanneer ik aan mijn venster zit,
Zo in het vroege morgenlicht,
Zie ik, weer overal in heg en struik,
De zilveren draden glanzen,
Weerspiegelend in het eerste zonnelicht.
De spin weeft weer met fijne draden,
In heg en struik, haar fijne web van rag,
Bedruppelt als met kleine parels,
Door zachte nevel, in de morgendauw
Nog mooier, dan ik ooit eens zag.
Het maakt mij wat weemoedig,
Ik weet, de herfst is weer nabij.
Nog enkele weken en de bladeren vallen.
De herfst komt als op kousenvoeten,
Brengt storm en regen naderbij.
Ik wil nog graag kastanjes zoeken,
De hazelnoten rijpen in dit jaargetij.
Het wemelt van de bramen en de bessen,
Ik zou ze zo graag willen plukken.
Mijn eigen herfst belemmert mij.
Toch zit ik niet te klagen,
Ik put uit mijn herinnering,
Hoe ik in vroeger dagen.
Genieten kon, van alles wat ik plukte.
Met ogen vol verwondering.
Kastanjes met de kleuren van mahonie.
En korenbloemen in het rijpend graan.
de bramen zwart en heerlijk zoet.
Ik ruik nog steeds hun geur,
En denk: “Wat is het leven goed!”
De herfst verdient bewondering,
Geeft voorraad voor de wintertijd.
Draagt reeds in haar boezem,
De belofte.
Van een nieuwe zomertijd.
Antje
Muren
Als ik mij neerzet om te schrijven,
is er een remming om mij heen.
Door al die hoge muren,
ik bouwde zelf….ja, steen voor steen.
Ik voel me daar zo veilig,
ja, ze zijn hoog genoeg.
Houd deuren veilig dicht,
blijf zelf wel uit het zicht.
Men hoeft toch niet te weten,
hoe klein ik werk’lijk ben.
Met schaamrood en met tegenzin,
schrijf ik mijn eerste zin.
Maar als de muren vallen,
dan komt mijn hart in zicht,
Ik draag het in mijn handen,
houd de deur niet langer dicht.
Kijk maar gerust , hoor.
Ja, ik stotter, vind moeizaam ieder woord.
Als ik ben uitgesproken,
Zegt men: “Dat heb ik meer gehoord.”
Antje
Stilte
Het wordt stil om mij heen,
Er klinkt nu geen stem,
Zelfs niet mijn eigen.
Geen enkel geluid,
De dagen gaan zwijgen.
Ik raak achterop,
Ik hou het niet bij.
Ik hol en ik hol,
En raak buiten adem.
Men rent mij voorbij.
Het gaat veel te snel,
Ik geef het maar op.
Moet mijn eigen tempo bepalen.
Zo kom ik er ook,
Ik hoef niemand nog in te halen.
Maar dan is het stil,
Iedereen is vertrokken.
Heel in de verte zie ik ze gaan.
Hun stemmen verklinken.
Ik loop achteraan.
Ik kan niet meer mee,
Moet dit maar aanvaarden,
Doe nu maar je best.
Met wat je nog hebt.
Geniet van het leven.
Van wat er nog rest!
Antje
Geertje
Dikwijls loop ik door het steegje,
waar Geertje heeft gewoond.
Eenieder heeft haar daar gekend,
nog niets is er veranderd,
maar Geertje werd dement.
Ik denk aan haar als ik daar loop,
een vrouwtje klein en oud.
Ze werkte in haar tuintje,
ze kweekte daar pompoenen, hele grote,
met de kleur van groen naar goud.
Haar tuintje ligt verlaten,
niemand kijkt er nog naar om.
Maar nu het voorjaar wordt,
wemelt het er van het jonge groen.
Met sneeuwklokjes en krokussen,
ze openen hun kopjes, in de prille lentezon.
Ze hield zo van haar tuintje,
en was er altijd bezig,
met wieden en met planten.
Dat was ze zo gewend,
het tuintje zal haar node missen,
want Geertje werd dement.
Antje.
Weet je nog…….?
Weet je nog, ons eerste huis?
Het was verklaard, als onbewoonbaar,
Het was er ook beslist niet pluis,
Wij deden onze zin, al mochten we er eigenlijk niet in.
Het wemelde er van de muizen,
En op zolder zat een rat.
De mensen schudden wel hun hoofd,
Maar ja, wat hinderde ons dat.
We pakten heel hard aan.
De muizen hebben we gevangen,
De rat werd door de hond gepakt.
Bang was ik niet, we waren immers saam.
Weet je nog, dat voorjaar?
We kregen onze eerste zoon.
We huilden van geluk,
Ons leven kon niet stuk.
Het was er toch zo heerlijk,
Ik denk dat steeds maar weer.
Er groeiden zomaar grote bossen narcissen,
Als een kind, zette ik ze overal neer.
Ik vraag je: “Weet je nog?”
Dit was wel zestig jaar geleên,
Je kunt het toch niet weten,
Lang reeds ging je van me heen.
Het zijn alleen herinneringen,
Het zijn er ook zoveel…..
Ze hebben alleen waarde,
Als ik ze samen met jou deel.
Antje
Jammerklacht
Eerst was hier die brand,
Het was toen één April.
We vonden het heel heftig,
De tijd stond even stil.
Toen kwam er een explosie,
Van heel veel lentegroen,
Heel fijn, zo welbeschouwd,
Maar groen vraagt wel om onderhoud.
De heggen groeien uit hun voegen,
De vrouwenmantel met haar grote kraag,
Tolereert het niet, als ze een ander plantje ziet.
Hoelang moet dit nog duren, dat is voor ons de vraag.
Die jongens van Caparis,
Waar zitten die nu toch.
Zij hielden het hier voor elkaar,
Maar ja, dat was wel vorig jaar.
Het duurt nu haast drie maanden,
Hoofdschuddend kijken wij naar ons terras.
Het onkruid tiert hier welig,
En de zomer begint nog maar pas.
De oudjes willen al gaan plukken,
Maar ja, dat valt niet mee,
Hun oude handen beven,
Hun krachten gaan het begeven.
Misschien heeft iemand nog een schoffel,
En ook een beetje medelij….
We zouden hem heel dankbaar zijn.
Hij maakte hier de oudjes blij.
Antje
O, leer mij alle dagen tellen…..
Als ik van heel mijn lange leven,
De dagen eens zou tellen gaan,
Had ik veel werk om ze te tellen.
Het zijn er veel,
Ze zijn voorbijgegaan.
Toch komen uit dit hele leven,
Maar enk’le dagen,
Aan mijn geest voorbij.
Ze lichten op, als warm en vrolijk,
Ze waren immer mooi en blij.
De hei, waar ik zo graag,
Als kind vaak speelde.
Ik ruik de kamperfoelie en de brem,
Ik zie nog steeds het paars en al de vele kleuren,
Ze trekken aan mijn geestesoog voorbij.
Diezelfde hei, waar ik de liefde leerde.
Waar ik geheel mijn hart verloor aan jou.
En wij ons aan elkaar verbonden
Zo zij aan zij, nog onbewust,
Van wat er komen zou.
De dagen dat er kind’ren kwamen,
Ze lichten op, als dagen vol geluk met jou..
Waarin ik ’t volle leven leerde kennen.
Ja, heel mijn kindheid af ging leggen,
Waarin ik moeder werd en vrouw.
Het vele werk, en alle grote zorgen,
Zijn dingen waar ik niet meer naar verlang,
Ze zijn zorgvuldig opgeborgen,
Ze vallen weg….
Ze zijn van geen belang.
Ik telde heus niet alle dagen,
Ze gleden ongemerkt aan mij voorbij
Er kwam een dag, hij komt me nu heel moeilijk voor.
Een dag heel triest en donker,
Het was de dag dat ik jou weer verloor.
O ja, ik overleefde,
De dagen glijden nu in rust aan mij voorbij.
Ik hoef ze ook niet meer te tellen,
Ja, iedere dag is als een goede gift,
Ik vraag mezelf , hoelang zal dit nog duren?
Hoelang, hoelang,
Schrijft nog mijn levensstift.
Antje
Een bonte mengeling...
Ik zit op mijn terras,
Tussen al wat groeit en bloeit.
Het is een bonte mengeling,
Die me elke dag weer boeit.
Dieppaarse petunia,
Met geurig grote bloemen,
Geraniums in rood en wit.
Heel veel gelen, heel veel groenen
Op het terrasje aan de overkant
Zo kleurig als een zomerdag,
Is net zo’n bonte mengeling
‘k verheug me dat ik kijken mag
Een donkere man,
Een blanke vrouw,
Twee heel mooie kinderen,
Een oude opa in het grijs.
Wat kan er mooier zijn,
Dan zo’n boeket,
Van liefdevolle mensen,
Die elkaar steeds vrede wensen.
Bezie de mensheid eens als zo’n boeket,
Met heel veel kleur en variatie,
Net als de bloemen hier op mijn terras,
Dan zou er vrede zijn, in iedere stam en natie.
Antje
Als een herinnering….
Ze was al weg….
voordat ze stierf.
Ze dwaalde door de gangen…
Op zoek naar iemand ….
die er niet meer was.
Ze kon het niet bevatten….
hij zat bij haar aan het ontbijt,
dronk samen met haar koffie…
Zo was hij er….
en dan ineens was ze hem kwijt.
Ze ging het bij de buren vragen.
“Hebben jullie hem gezien?”
Ze kreeg steeds “Nee”, te horen.
Als iemand zei:”Hij is gestorven,”
Dan werd ze vrees’lijk boos.
“Zonet was hij er immers nog”.
Het is niet te begrijpen,
we hebben samen nog gesjoeld,
Ze vond het nog gezellig….
Ze kreeg het zo benauwd,
die nacht maar opgenomen,
niet meer teruggekomen.
Ze was al weg…
voordat ze stierf…..
Wij houden ons maar even stil….
Het is misschien wel beter
Een troostende gedachte….
voor ons, die er nog zijn.
Wij willen graag erin berusten,
maar eerlijk waar…
het doet wel erg veel pijn.
Antje

Geluk
Ik zie mezelf als een klein kind,
Lopend door de sloot bij buurvrouw Maartje.
Vluchtend voor die boze mensen,
Die elkaar de dood in wensen.
Ver, heel ver moet ik nog gaan,
Om het niet te hoeven horen
Over het mulle witte zand, dat rult,
Zoetjesaan mijn klompjes vult
Eindelijk kom ik op mijn plekje,
Tussen brem en kamperfoelie.
In de hei zet ik me neer.
Mijn angst verdwijnt, de rust keert weer.
Die zoete geur, gezoem van bijen.
Heel stil zit ik daar tevree.
Een salamander koestert zich in ’t warme zand
Hij kijkt mij aan, vlakbij mijn hand.
Ik dwaal nog verder over het pad
En vind de sloot met wilgenkatjes.
Ik wil mij in hun geur verliezen.
Hun stuifmeel doet me plots’ling niezen.
Ik heb het wel gezien
Het kleine vogelnestje.
Twee eitjes als van porselein.
Ik zal maar heel voorzichtig zijn.
Zouden er al bramen zijn?
Voorzichtig ga ik kijken,
En ga dan lachend op de loop,
Ik stapte bijna in een mierenhoop.
Het weiland waar ik nu beland,
Staat boordevol met pinksterbloemen,
Dan pluk ik een boeket heel groot,
En vlij me languit in haar schoot.
De geur is haast bedwelmend
Genietend blijf ik even liggen,
Totdat het krieb’lend grut verschijnt
Haastig krabbel ik dan overeind.
De bloemen geef ik aan mijn moeder,
Hun ruzie zal wel over zijn.
Mijn vader moet maar even helpen.
Ik wil zo graag hun tranen stelpen.
Mijn kindertijd heeft mij geleerd:
’t Geluk ligt in de kleine dingen.
Soms overpeins ik ze heel even,
O. hoe kostbaar is mij ‘t leven!
Antje
Aprilgrap?
Het is vandaag al 1 April.
We staan er eventjes bij stil.
Want wat is er aan de hand?
De buurman stak zijn huis in brand.
Het was toen net nog Maart,
Hij roerde nog wat met zijn staart.
Het was het nachtelijke uur,
De rust van korte duur.
We waren hiervoor bang geweest,
Hadden het reeds lang gevreesd.
Met sterk gebonk en veel lawaai,
Stak hij zijn huis in lichterlaai.
Zijn buurvrouw, reeds in bed,
Was waakzaam en alert.
Zij zag de vlammenzee,
En belde heel snel 1-1-2.
Maar zij kon niet vermijden,
Dat dikke rook zich ging verbreiden.
Die was niet meer te stuiten,
Joeg iedereen naar buiten.
De brand gelukkig snel geblust,
De gemoederen weer gesust.
Het was een hele nare nacht,
Wie had aan 1 April gedacht.
Niemand kon zo’n grap bedenken,
Maar we moeten aandacht schenken.
De vieze lucht is haast verdwenen,
Maar hebben de schrik nog in de benen.
Antje

















